St.Hilaire kerk
St.Hilaire kerkhof

Een bijzondere ervaring in het noorden van de Meuse

  • St.Hilaire kerk en kerkhof01
  • Piëta, maagd van barmharigheid02
  • Ossuarium op St. Hilaire03
  • 01 De kerk uit de 12e eeuw met een deel van het kerkhof. Binnen in de kerk de sarcofaag van de curé Huès en vele monumentale grafzerken.
  • 02 Monument uit 1494: Jugement Dernier of Notre-Dame de la Pitië, oftewel de Piëta, de maagd van de barmharigheid. Met daarvoor de 12 apostelen.
  • 03 Het ossuarium uit het einde van de 15e eeuw. Met de boîtes à crâne (schedelkasten) en meer dan 40.000 gerangschikte schedels.

Marville, een sluimerend stadje in het Noorden van de Meuse met 650 inwoners, vlak tegen de Belgische grens. Een stad met een lange en indrukwekkende geschiedenis.
En die geschiedenis ontvouwt zich op een bijzonder kerkhof.

De kerk en het kerkhof dateren uit de 12e eeuw en zijn al in 1905/1931 geklasseerd als historisch monument, maar de Romeinen kenden al een begraafplaats op deze heuvel.

We bezoeken deze plaats langs de paden van het verleden, het huis van de bewaker, het ossuarium, het monument van de Piëta, de Christus van het laatste oordeel, de St. Hilaire kerk, de sarcofaag van curé Huès, de Canadese graven, het leprahuis en talloze opmerkelijke grafstenen.

Neem de tijd om te genieten van de schoonheid van dit unieke kerkhof, waar de plantengroei al even buitensporig schijnt als de schikking van de grafstenen: opeens komt men in een buitentijdse wereld terecht. Verrassende elementen van een lange geschiedenis.

Het ossuarium met zijn 40.000 duizend schedels uit de 15e en 16e eeuw, in 1876 bijeengebracht door de begraafplaatsbeheerder Constant Motsch, op verzoek van de toemalige curé Frignet.

De grafkapel werd gebouwd door curé Huès, curé van Marville. Curé Huès werd in 1345 in een sarcofaag in deze kapel bijgezet.

Oude grafstenen, zerken en stelles vanaf 1345. Door Curé Frignet in 1876 in de kerk ondergebracht.

En fresco van Maria Magdalena in één van de nissen in de kerk gaat lanzaam verloren. Nog een paar elementen zijn zichtbaar maar het grote geheel vervalt en vervaagd.

700 Meter ten noorden van het kerkhof zijn nog de resten van de leproserie, het leprahuis uit de 12e eeuw. Het leprahuis is altijd nauw verbonden geweest met het kerkhof.

Het kerkhof

Een kerkhof vol geschiedenis, waarvan een aantal monumenten en graven hieronde wordt besproken.
Maar er zijn veel meer belangrijke zerken en tombes te vinden. Voor meer informatie kunt u terecht bij het toeristenbureau in het dorp.

Ci git, ici gite

Regelmatig leest u het opschrift 'Ci git, ice gite' Ze zijn allen afkomstig van het werkwoord gésir wat betekent hulpeloos of (half)dood liggen. Het is verwant aan gîte, schuil- of rustplaats en ons tegenwoordige vakantiehuis. (Een gisant is een beeldhouwwerk, onderdeel van een grafmonument, waarbij de overledene liggend is afgebeeld. Het vervaardigen van gisanten kwam vanaf de gotiek meer en meer in gebruik.)

Coquille Saint Jacques

Op de grafzerken komt de St. Jacobsschelp vaker voor. De schelp wordt gedragen met de sluiting naar boven (in tegenstelling tot de schelp van oliemaatschappij Shell). Grafstenen met een St. Jakobsschelp verwijzen naar de bedevaart die de betreffende persoon heeft ondernomen naar Santiago de Compostela.

1914-1918

Rechts na de ingang ligt het hedendaagse kerkhof.
Vroeger de tuin met kruiden voor de beheerder tegenwoordig het moderne kerkhof.
Het lijkt een kerkhof als alle anderen, maar de vier zware kolommen roepen vragen op.

De 'Lanternes des Morts' zijn in 1914 door de Duitsers gebouwd en gaven de 4 hoeken aan van het kerkhof waar tijdens de eerste wereldoorlog de gesneuvelde Duitse soldaten werden begraven. De 'Lanterne des Morts' is een in het midden en westen van Frankrijk gebruikelijk monument die zijn oorsprong vind in de Keltische traditie. Uit angst voor de dood werden lichten aangestoken op deze torens.

Er is niet veel bekend over de periode van de Duitsers in Marville. Er zou een Feldflugplatz geweest zijn waar de Artillerie-Fliegerabteilung 285 en de Schutzstaffel 15 (onderdeel van het 5e leger van de Kronprinz) gediend zouden moeten hebben. Enkele namen van soldaten die begraven hebben gelegen op het kerkhof van Marville zijn bekend, allen vliegers en overleden in 1917: Peter Lehrenfeld, Paul Kahlert, Emil Leber, Walter von Wangenheim, Ewald Schröder, Gustav Gotthardt, Oskar Weller en Oswald Max Graf. De stoffelijke overschotten zijn begin 20er jaren herbegraven op Duitse erebegraafplaatsen zoals Mangiennes.
Daarna deed de begraafplaats dienst voor de bewoners van het dorp.

Canadese graven

Tijdens de koude oorlog was er van 1954 tot 1967 ten westen van Marville een luchtmachtbasis van de Canadese Royal Airforce, de 1ste Wing, gestationeerd. Er verbleven meer dan 2000 militairen op de luchtmachtbasis van Marville.
De gezinnen van de Canadese militairen werden overgevlogen met militaire vrachtvliegtuigen waar de luchtdrukregeling en zuurstofvoorziening nog onvoldoende ontwikkeld waren. Zwangere vrouwen en kleine kinderen kregen na aankomst in Frankrijk al snel gezondheidsproblemen en het aantal doodgeboren baby's en de babysterfte nam sterk toe.
Op het nieuwe kerkhof, onder de witgrijze kruisen rusten de kinderen van deze Canadese militairen. Ook op het oudere deel van het kerkhof liggen nog enkele Canadese graven met identieke kruisen en deels met de originele grafzerken. De Canadezen hebben een lease op de rustplaatsen.
In 2003 is de grote gedenksteen onthuld.

Rotsmonument

Op het oude kerkhof rechts af en na ongeveer 15 meter direct rechts van het pad een vreemd rotsachtig monument, één van de oudste monumenten op dit kerkhof. Het jaartal 1642 staat er in gegraveerd. Gestapelde stenen met een doodshoofd aan de voorzijde en aan de achterkant is een skelet uitgehouwen. Aan de voorzijde onder de gravering nog een symbool. Deze bijzondere grafsteen is te vergelijken met een ander monument op het kerkhof: het monument van de doodskisten naast de Piëta.

Monument van de Aankondiging

Monument de l' Annonciation.
Aan de linkerkant ziet u het 16e/17e eeuwse grafmonument van de aankondiging, Maria-Boodschap oftewel de aankondiging van de geboorte van Jezus aan Maria. Het is ongetwijfeld het oudste monument van het kerkhof en het bevat twee zeer verschillende registers.
Het onderste register is verfraaid met twee personages die de heilige Catharina en de overledene kunnen voorstellen. Let op het wijwaterbakje aan de rechterkant en de twee engeltjes aan beide zijde.
Het bovenste register toont een knielende weldoener met zijn beschermheilige. Aan beide zijden de heilige Margaretha van Antiochië en de heilige Catharina van Alexandrië. Hun attributen zijn nog goed zichtbaar: een degen en het boek der wetenschappen.
De St. Jakobsschelpen, symbool van de bedevaart naar Santiago de Compostella.

Hier liggen begraven de religieuzen en de volgelingen van de l'orde Hôspitalilers de de Saint-Antoine. De orde van de Antonistes van Marville. De volgelingen van de heilige Antoine van Pont-a-Mousson. Deze religieuze orde had zich sedert 1295 in Marville gevestigd. De commanderij en het hospitaal bevinden zich in Marville, rue de la Commanderie 6, momenteel vervallen en privé bezit. De 14e eeuwse kerk van d'Hospitaliers de Saint-Antoine stond aan de rue de Tripot 14, nu ook privé bezit

Piëta

Monument du Jugement Dernier of Notre-Dame de la Pitië. De Maagd van Medelijden, de Piëta ook wel het monument van het laatste oordeel genoemd. Dit monument dateert uit de 1494. Er is door een restaurateur ooit een onjuiste datum opgezet van 1198.
In de grote nis staat de Maagd gekleed met een doek met haar dode zoon op haar knieën. Let op de disproportie tussen het hoofd van de volwassen Christus en het kinderlijfje. Symbool van de moederliefde, de zoon blijft altijd haar kind.
De nis op de top stelt Christus en het laatste oordeel voor tijdens de opstanding. Het hoofd gekroond met doornen, de armen uitgespreid, de handen doorboort en de schouders bedekt met een ruime open mantel die de open en bloedende zijde laat zien omgeven door engelen met trompetten.
Hij staat met zijn voeten op twee grafmonumenten waaruit de doden (skeletten) willen opstaan.

Een beeld van bijzonder schoonheid en emotie.

Apostelen

Voor het monument van de Piëta liggen 4 graven, elk met kalkstenen zerk van drie gotische klaverbladvormige nissen die de apostelen omsluiten. Vierhoekige staande stenen en trapeziumvormige liggende stenen met een wijwaterbakje aan de voet van de liggende steen. 15e/16e eeuw. De beeldhouwer is onbekend. De beelden zijn met grote precisie uitgehouwen. Twee zerken zijn gegraveerd met 1561 en 1567.
Bijbelse figuren: Andreas (Petrus' broer), Bartolomeüs, Filippus, Jacobus de Mindere of de Rechtvaardige, Jacobus de Meerdere, Johannes , Matteüs, Mattias, Simon Petrus, Simon de Zeloot.
Alleen de plek van Judas blijft leeg.

Monument van de Doodskisten

Het monument aux Cercueils, direct links van het monument van het laatste oordeel is een gedenksteen in de vorm van een boomstam die ook wel de levensboom wordt genoemd. Onbekend graf uit de 16e of 17e eeuw. Het monument is waarschijnlijk tussen de twee wereldoorlogen gerestaureerd. Een wonderlijk monument van een gelijksoortig genre als het rotsmonument aan het begin van het kerkhof.
Onderaan de boomstam een doodshoofd en aan beide zijden twee half open doodskisten. In de linkerkist ligt het lijk van een overledenen in de rechterkist zijn skelet. De holte aan de linkerzijde boven het doodskistje is onbekend. Er boven ontwaren we een personage met een verbrijzeld hoofd. Aan de rechterarm draagt hij een mand. Personage van de knielende donor. Op het schild aan de tak een weegschaal, het symbool van de goddelijke gerechtelijkheid.
Dit grafgeheel illustreert het symbool van de dood en de opstanding.

Wijwatersokkels - bénitiers

De vele wijwatersokkels (bénitiers) die langs de paden staan zijn allang verdroogd of bieden plaats aan mos en andere vegetatie. Ze zijn van een eenvoudige schoonheid.
Er staan 21 wijwatersokkels, deels uit steen gehouwen, deels van cement, voornamelijk uit de 17de eeuw en misschien wel de 18e eeuw. Ze staan nog steeds op hun oorspronkelijk plaats: bij de kruising van 2 paden, bij de ingangen naar de kerk en het ossuarium en een enkele tussen de graven.
Ook de grafstenen en grafzerken kennen wijwaterbakjes. Een voorbeeld is onder aan de grafstenen van het monument van de apostelen, maar ook vaak boven op de grafzerk. Een klein uitgehouwen kuiltje biedt plaats aan het gewijde water. Zo konden de gelovigen te allen tijden de overledene zegenen met het gewijde water.

De geboeide Christus

of Monument van de God van de Barmhartigheid. Monument du Bon Dieu de Pitié oftewel 'Christ aux liens' (de geboeide Christus) ook wel 'Christ dans sa prison'. Een grafmonument uit het begin van de 15e eeuw dat rijk is versierd met doornachtige takken en druiventrossen. Een onduidelijke datum van 1668 is ingegraveerd, maar men vermoedt dat het monument van eerdere datum is. Het herbergt een Christus, gezeten op een steen, naakt. Zijn kleed ligt naast hem. Hij draagt een doornenkroon. Zijn vuisten en enkels zijn met touwen vastgebonden. Het beeld vertoont grote emotie. Dit beeldhouwwerk is ongetwijfeld gemaakt door een leerling van Ligier Richier, een groot beeldhouwer in de Renaissance uit de Meuse. (1500-1567) In 1970 opnieuw geverfd maar ook dat is weer verdwenen.

Claude-Jean-Baptiste Cothenet

Het kerkhof van Marville is vervuld van geschiedenis.
Tegenover het monument van de geboeide Christus staat u voor het graf van een soldaat van de garde van Napoleon (middelste van de drie). Het gaat om Claude-Jean-Baptiste Cothenet, arts en chirurg van de keizerlijke garde van Napoleon en overleden in 1841 in Marville. Hij was hoofdchirurg en redde het leven van maarschalk Nicolas Jean-de-Dieu Soult. Het romantische grafschrift:

"Onder deze vochtige steen zijn
moed, werk, kennis, talent, deugd tot stof vergaan"
Plus ne me rien, rien ne me plus.
Er is niets meer, niets telt meer.

Een kleine anekdote. Hij huwde voor zijn eerste en voor zijn tweede huwelijk met twee zussen die beiden Marguerite Bouton heetten. Ze woonden in Marville. Het graf van zijn eerste vrouw, overleden in Paris in 1810 op 32 jarige leeftijd ligt ernaast.

Curé Pierre Dupuy

Aan de rechterkant voor de kerk staan talloze grafstenen in een rij. Hier liggen de geestelijken, priesters en nonnen. Zo dicht mogelijk bij het altaar!
Een eenvoudige steen aan de verhaald ons over het leven van de antirevolutionaire Curé Pierre Dupuy, pastoor te Marville en overleden in 1816 op 55-jarige leeftijd. Grafsteen met kelk, hostie en kruis.
Tijdens de franse revolutie moesten de priesters een eed van trouw aan de Republiek afleggen. Als zij dit deden mochten ze in de zielzorg werkzaam blijven, maar bij de parochianen kregen de beëdigde priesters weinig sympathie. Niet-beëdigde priesters moesten naar het buitenland vluchten of onderduiken.
Pastoor Dupuy weigerde tijdens de revolutie deze eed op de grondwet af te leggen en werd verbannen naar Île le Ré, aan de westkust van Frankrijk. Nadat hij was ontsnapt keerde hij terug naar Marville. En daar werd hij in 1816, op een avond dat hij op de begraafplaats wilde gaan bidden, door een dorpeling neergestoken op 'La Grimpette' (het pad naar de begraafplaats). In de steen staat geschreven dat hij stierf voor zijn geloofsijver.

Ossuarium

  • Ossuarium op het St.Hilaire kerkhof in Marville01
  • 40.000 gerangschikte schedels02
  • boîtes à crâne (schedelkasten)03
  • 01 Het ossuarium uit het einde van de 15e eeuw. Waarschijnlijk in opdracht van Jean Pérignon, de burgemeester in die tijd. Zijn gedenksteen bevind zich aan de binnenkant van de middelste kolom.
  • 02 De toenmalige begraafplaatsbeheerder Constant Motsch werd belast met de opgravingen en het zorgvuldig stapelen in het reeds bestaande knekelhuis. Op de foto de beheerder vlakbij het knekelhuis aan het werk met zijn mandje.
  • 03 Sommige schedels werden naar oud gebruik bij een 'tweede begrafenis', in een zgn. boîtes à crâne (schedelkasten) geplaatst met de naam waarmee de herinnering aan de overledene bleef voortbestaan.


  • 04 Het ossuarium van de gerangschikte botten (cimetière des os rangés) niet te verwarren met de identieke uitspraak van de franse sinasappelbomen (des orangers) "Viens voir les os rangés de Marville!". (Os rangés = gerangschikte beenderen, orangers = sinaasappelbomen.)

Ongetwijfeld één van de bekendste monumentale gebouwen bij het grote publiek. Het is gebouwd met de voorzijde geopend en het dak wordt ondersteund door kleine kolommen met kapitelen in Romeinse stijl.

Dit ossuarium werd eind 15e begin 16e eeuw gebouwd. Op één van de twee wijwatervaten aan de binnenzijde, met het symbool van de architect, staat de datum 1603 gegraveerd. Waarschijnlijk in opdracht van Jean Pérignon, de burgemeester in die tijd. Zijn gedenksteen bevind zich aan de binnenkant van de middelste kolom.

In 1876 werd het kerkhof te klein en de curé Frignet besloot volgens katholieke traditie de begraafplaats deels te ruimen.

De toenmalige begraafplaatsbeheerder Constant Motsch, werd belast met de opgravingen en de resterende botten samen met de reeds aanwezige botten zorgvuldig rangschikkend te stapelen in het reeds bestaande knekelhuis. Hij heeft ze in meerdere rijen gelegd langs de 3 wanden. Met een diepte van 1.60m en een hoogte van 2.70m zijn er meer dan 40.000 schedels. Volgens deskundigen dateren de beenderen uit de 15e en 16e eeuw en zijn bijeengebracht vanuit verschillende begraafplaatsen in de omgeving. De pestepidemie in 1636 heeft hier aan bijgedragen, evenals de leprozen en de vele oorlogen in dit gebied.

Het ossuarium met zijn 40.000 duizend schedels uit de 15e en 16e eeuw, in 1876 bijeengebracht door de begraafplaatsbeheerder Constant Motsch, op verzoek van de toemalige curé Frignet.

De belangrijkste grafzerken werden door Curé Frignet in de kapel geplaatst, waar ze nog steeds zijn te bewonderen. De minder belangrijke stenen werden gebruikt voor de restauratie van de beheerderwoning. Maar ook deels hergebruikt (zie verderop de grafsteen van Curé Frignet zelf en de steen aan de in gang van de kapel).

Sommige schedels werden naar oud gebruik bij deze tweede begrafenis, in kastjes geplaatst met namen, waarmee de herinnering aan de overledene bleef voortbestaan. Een zgn. 'boîte à crâne' (schedelkast). Er zijn 29 kasjes met de schedels van mannen en vrouwen van Marville, overleden tussen de jaren 1780 en 1860 en een aantal van hen werden aan het begin van de 20e eeuw nog bewaard in de grafkapel van de Saint-Hilaire kerk.

Ze lijken op wandklokken, waardoor de naam 'horloges de la mort' (uurwerken van de dood) ontstond en waar de schedel de plaats van de wijzerplaat inneemt. Op de kasjes zijn symbolen van rouw geschilderd: tranen, doodshoofd maar ook de datum van overlijden, naam, beroep en soms ook de leeftijd.

In het midden van het ossuarium is een stenen altaar uit de 16e eeuw tegen een schildering op hout geplaatst De beschildering op 6 verticale planken stelt het vagevuur voor, met de heilige drie-eenheid, de maagd Maria, St. Joseph en een engel. De schilder is onbekend. Het altaar is opgetrokken uit natuursteen met één grote afdeksteen.

Bovenaan op het baldakijn drie regels die ons aan het nadenken zetten. De mooie houten bordjes zijn jammer genoeg verdwenen en vervangen door kunststof.

Nous avons été comme vous
vous serez comme nous
priez dieu pour nous

We zijn geweest zoals u bent
u zult worden zoals we zijn
bid voor ons

De kerk

Het woord kerk is misschien een groot woord voor een gebouw dat zich meer als een kapel voordoet. Maar de kerk heeft vele jaren als parochiekerk dienst gedaan en daarmee verdient het terecht de aanduiding kerk.

Het huidige gebouw is romaans en dateert uit het einde van de 12e eeuw. De kerk heeft een kleine klokkentoren met leien belegd. Vroeger was daar nog een baldakijn als afdak voor de toegangsdeur.

Boven het hoofdportaal een glas-in-loodraam met het rode kruis van het bisdom van Trèves (Triest). Daarboven een steen met ingegraveerd kruis, een hergebruikte grafsteen met het symbool van de orde van de Antonieten, die bevestigd dat de gevel in de 14e of 15e eeuw is opgetrokken. Tussen het protaal en het glas-in-loodraam een kruis in reliëf.

Tekening St.Hilaire kerk in Marville

In de eerste helft van de 14e eeuw is het koor en de gotische grafkapel aan de zuidkant aangebouwd door pastoor Huès. (Hij werd in 1345 en aldaar begraven) Eveneens werd toen het portaal (hoofdingang) aan de westzijde vernieuwd. Later die eeuw werd het portaal aan de zuidzijde (zijingang) toegevoegd, evenals het raam met booggewelf aan diezelfde kant.

In de 19e eeuw werd de kerk volledig gerestaureerd op kosten van de burgemeester van Marville dhr. Fossy, onder toeziend oog van de inspecteur des Beaux-Arts. De grote restauratie viel samen met de opgravingen op het kerkhof, het organiseren van het ossuarium, de renovatie van het huis van de bewaker en het onderbrengen van de overgebleven grafstenen in de kerk. Minder belangrijke stenen werden hergebruikt. Bij het binnenkomen stappen we al op een eerste hergebruikte grafsteen, nu in gebruik als trede bij de deur.

Hier bevinden zich de oude grafstenen vanaf 1345 die Curé Frignet in 1876 in de kerk heeft ondergebracht. Er zijn bijzondere zerken en meesterwerken die de eeuwen hebben doorstaan en die getuigen van de artistieke rijkdom van hun tijd. Ze zijn een weerspiegeling van het rijke verleden van het dorp.

De buitenkant heeft nog enkele bijzonder details: op de zuidmuur van de grafkapel een mooie zonnewijzer. Rechts bij de ingang een bijzondere grafsteen van Michèl Robert, ingegraveerd in de muur. Begraven worden 'sous l'égoût du toit' onder de dakgoot, dichtbij het altaar, was een groot voorrecht!

Aan de linkerzijde van de ingang de flamboyante gedenkplaat voor curé Nicolas Lambert Frignet (1828-1895), 20 jaar pastoor van Marville, en verantwoordlijk voor de ruiming van het kerkhof in 1876. Grafsteen van Marguerite Bertrand De gedenkplaat is hergebruikt, de datum 1516 is nog zichtbaar. Wanneer u zich omdraait ziet u het graf van de beheerder Constant Motsch.

Verderop, net om de hoek, staat tegen de kerk geleund de grafsteen van Marguerite Bertrand uit 1665. (zie foto) Een van de oudste stenen op het kerkhof. Op de steen een reliëf van Christus aan het kruis, de benen zijn verdwenen.

Aan de linkerkant van de toegangsdeur een offerblok, waar giften konden worden gedeponeerd en daarboven het oude en vergane bordje van het cultureel erfgoed.

Giften? Zijn hard nodig om de kerk te kunnen behouden. Neem contact op met het toeristenbureau in Marville om uw gift te deponeren.

Interieur

Interieur kerk St.Hilaire Marville

De kerk bestaat uit een eenvoudig schip zonder zijschepen, overdekt met een houten dakconstructie (zadeldak) en eindigend in een koor smaller dan het schip. Dit koor heeft gewelfde bogen met ribben op consoles. Kleine ramen met ronde boog doorboren de muren van het koor aan 3 zijden, van de noordgevel en aan de zuidgevel resteert er nog één.

De grafkapel (Sepulcre) werd in de eerste helft van de 14e eeuw aangebouwd, rond 1400 werd het altaar van de Maagd Maria aan de noordzijde van het schip toegevoegd en ten slotte aan de zuidzijde in 1408 is het altaar van de Heilige Geest.

Langs de muren stenen banken (waar nu de grafstenen op staan), die mogelijk werden gebruikt voor de armen om op te zitten, waarschijnlijk de zgn. 'longs bancs'.

Aan de zuidzijde (de kant van de zijingang) zien we in de nis met het gotische raam aan de linkerzijde een kolom. Aan de bovenzijde versierd maar hij ondersteunt niets. In deze nis ook een grafsteen van een man met (in?) wapenuitrusting. De aan de muur bevestigde preekstoel uit de 18e eeuw is eveneens van eikenhout en in zeer slechte staat. Achter de preekstoel nog een onbekende steen.

Koor

Interieur kerk St.Hilaire Marville

Het koor dateert van de 14e eeuw.
Het hoofdaltaar uit 1707 wordt omgeven door een altaarstuk met 2 deuren. Boven beide deuren zijn in olieverf twee landschapjes geschilderd. Een berglandschap (berg, boom, storm) en mogelijk de zee (met kust en boom). Op oude foto’s zijn de deuren nog aanwezig en mogelijk waren ook deze geschilderd. In de altaarsteen in het altaarblad staat gegraveerd:


'HC DU CAMBOUT DE COISLIN EPISCOPUS METENSIS 1707'
'HC du Cambout de Coislin, bisschop van Metz. 1707'

Henri Charles du Cambout was bisschop van Metz van 1697 tot 1711. Een zelfde opschrift wordt o.a. ook gevonden in kerken in Boler (ten noordoosten van Thionville) , Blieskastel ten oosten van Saarbrücken en de kerk van Chaligny (tussen Toul en Nancy). Allen toentertijd behorende tot het diocees Trèves - Trier. We mogen dus aannemen dat het altaar in 1707 door deze bisschop geschonken is.

Het was vroeger de gewoonte om relikwieën van heiligen in te bouwen in het altaar, veelal onder de altaarsteen. De relikwieën straalden namelijk veel 'heiligheid' af naar de overledenen op het kerkhof. Of deze relikwieën er geweest zijn en zo ja van welke heilige is onbekend. Een legende verhaalt van koning Dagobert (629-639) die zich naar Poitiers begaf met betrekking tot de relikwieën van St. Hilaire.

De houten voorplank van het altaar is verdwenen.

De rode doek en het kruis ervoor zijn niet authentiek. Op oude foto’s is nog de schildering (op houten planken) te zien. Volgens onderzoekers een kopie van één van de vele heilige familie's van Raphaël. Het is mogelijk maar dan in spiegelbeeld geschilderd. (The Holy Family 1518 Oil on canvas transferred from wood, 207 x 140cm, Musée du Louvre, Paris)

De koorbanken uit de 19e eeuw zijn gemaakt van eikenhout. De banken zijn verdwenen.
Rechts van het altaar een nis met het waterbekken voor de olie en het water.

Kapel van de Maagd Maria

Interieur kerk St.Hilaire Marville

Links ligt de kapel van de Maagd Maria (15e/16e eeuw), beschut door een ciborium (baldakijn) met spitsbooggewelven. Hoekstenen van bloemen en bladeren. Versierd met fleur-de-lis, de lelie, het symbool van Frankrijk tot aan de revolutie. Met de revolutie raakte het symbool in onbruik. Het werd teveel geassocieerd met de tirannie onder de Lodewijken. Midden tussen de lelies het kruis van de Hopitaliers. Het symbool dat de lepralijders ook op hun kleding droegen.
Het beeld van 134 cm hoog is van geverfd kalksteen en stelt de Maagd Maria voor met haar zoon. Vermoedelijk 14e eeuw. In haar handen een bosje anemonen, het symbool van de franse steenhouwers. Het kind Jezus reikt naar de bos om een bloem te pakken. Let op de kroon die aan het achterpaneel is vastgezet. Aan de rechterhad van Maria worden 2 vingers vermist.

Kapel van de heilige geest

Rechts een altaar gewijd aan St. Esprit (29 sept. 1408, datum gegraveerd). Geschonken door de ouders van de oprichter van de commanderij van de Hopitaliers de St. Esprit, Bertrand Wautier d’Arrancy. Op de rand staat in gotische stijl gegraveerd:

'BARTRAN ET HAWIX DE ARENCEY FIRENT CEST CAPPEL DON S ESPERIS LAN M CCCC
ET VIII DIE MICAEL MORIT MEY MAIRS L AN ET VII LY APRES LAN ET VIII MEY IULET ; PRIES P EUS'
In het hedendaags Frans:
'Bertrand et Hawix d' Arrancy firent cette chapelle du Saint-Esprit, l'an 1408, le jour de saint Michel ;
elle mourut au mois de mars, en l'année, le 7, lui apres l'an, le 8, au mois de juillet ; priez pour eux'
In het Nederlands:
'Betrand en Hawix d' Arrancy schonken deze kapel in 1408 aan Saint Esprite, de gedenkdag van St. Michel.
Zij stierf in de maand maart van het jaar 7, hij na een jaar, in 8, de maand juli, bid voor hen'

Boven het altaar een 18e eeuws geschilderd houten beeld van Saint Hilaire de Poitiers uit de 18e eeuw.

Marie-Madeleine à la Sainte Baume

Maria Magdalena a la Sainte Baume

Deze nis bevatte mogelijk eens een graf. Nu rest nog de fresco uit de 18e eeuw die de heilige Marie-Madeleine à la Sainte Baume verbeeld. Een liggende Maria Magdalena in een grot. Een doodshoofd onder haar. De schilder is onbekend. De schildering lijkt in de loop van de tijd te verdwijnen alleen de ogen en het doodshoofd blijven zichtbaar. Een zwart-wit foto toont nog de onbeschadigde fresco.
Meerder afbeeldingen van Maria Magdalena in een grot zijn bekend met veelal een groot kruis, een open boek in haar hand (symbool van kennis) en een schedel (het symbool van vergankelijkheid, maar ook nederigheid en berouw).

Saint Hubert

Schuin boven het fresco het schilderij uit de 18e eeuw van de heilige Hubertus, beschermheilige van de jacht met het hert met kruis, kenmerkend voor de St. Hubertus afbeeldingen.
Olieverf op drie verticale verlijmde planken. Het werk is afkomstig uit het Kapucijner klooster in Saint-Jean-lès-Longuyon. Het schilderij is zwaar beschadigd. De schilder is onbekend.

Kapel Saint Sépulcre

Interieur kerk St.Hilaire Marville

Aan de rechterkant de kapel Saint Sépulcre, gebouwd in de eerste helft van de 14e eeuw door Curé Huès, een kapel met altaar en relikwie. In de middelste kolom van de 3 pilaren die het altaar ondersteunen is een kleine vierkante opening waarin vroeger een relikwie is geplaatst en vervolgens werd afgedicht.
Op het altaar stond een houten tabernakel maar die is nu verdwenen. Het tabernakel kenmerkte zich door een grote St. Jakobsschelp boven in de nis. Mogelijk verwijst dit naar een bedevaart van de pastoor.
De grafkapel werd door Hues (curé van Marville, deken van het decanaat van Longuyon, eerder curé van Sorbey) gebouwd en hij werd in 1345 aldaar begraven. Huès was de tweede curé van de nieuwe parochiekerk St. Nicolaas in Marville. Zijn voorganger was curé Renaud.
De sarcofaag is gemaakt van fijn kalksteen en aan de vierzijden versierd met gotische booggewelven. De vorm is naar beneden toe enigszins trapezevorming, wat doet denken aan de sarcofagen van de Merovingers.
De liggende figuur (een 'gisant' in het Frans) is 1.63 m lang en verbeeld de pastoor als jongeman. Hij rust met het hoofd op een kusen, de handen bij elkaar, de voeten op een liggende hond, het symbool van de trouw van mens-dier en ook van mens-God. De pastoor toont een jong gezicht, sereen en met open ogen gericht naar het licht hetgeen overeenkomt met het idealisme uit de 14e eeuw.
Ter hoogte van de heupen ziet men een vierkant ingezet stukje. Dat was waarschijnlijk een dekseltje met een holte dat als wijwatervat dienst deed. Men kon daar de gisant mee zegenen, een kruisteken mee maken maar ook doeken in drenken om over de zieke delen van het lichaam te wrijven.
Op de mouw staat de letter M ingegraveerd, mogelijk de signatuur van de beeldhouwer, hoewel in die tijd de meeste beeldhouwers anoniem bleven. De sarcofaag is gepolijst en in de rand staat gegraveerd:

"ci gist hues curees de marville et doyens de longuion qui fondant ceste chapelle qui
mourir l'an MCCCXLV XXIII jours an mars proies pour li qui deus marci faice amen"
Hier rust Huès, curé van Marville en deken van Longuyon, die deze kapel heeft opgericht
en die in het jaar 1345 is gestorven op 23 maart. Bid voor hem die ..... Amen.

De tombe was lange tijd een plaats voor pelgrims. We kunnen talloze opschriften opmerken van de bezoekers. Een ervan brengt duidelijk het gevoel tot uitdrukking van een pelgrim, misschien iemand uit de 17e eeuw.

"Invideo quia quies cunt" - ik benijd hen want zij rusten

gisant kerk St.Hilaire in Marville

Aan zijn rechterzijde in een gewelfde nis, bevind zich een ander liggend beeld. Een dergelijke nis bevat mogelijk een graf, een zgn. arcosolium. Er werd een deel uitgehakt in de muur, de overledene werd daar (ter aarde) besteld en vervolgens werd het graf afgedekt met een plaat en in dit geval een ‘gisant’, een liggend beeld. (de elektricien heeft dit echter niet begrepen!)
Het beeld (1.60 lang) is zwaar beschadigd. Hoofd en handen gebroken bij de hals en polsen, neus gescheurd, ontbrekende kin en vingers, scheuren in het onderste deel van de kleding, scheuren in de neus van de hond. Het beeld is ongetwijfeld onthoofd tijdens de franse revolutie. Hij heeft de ogen gesloten, handen gevouwen en rust niet op een sarcofaag. Zijn voeten rusten op een leeuw, symbool van kracht en adel. Het gaat hier met grote waarschijnlijkheid om een priester, mogelijk de voorganger van curé Huès, de curé Renaud, eerste pastoor van de nieuwe parochiekerk St. Nicolas. Beiden in de eerste helft van de 14e eeuw overleden.

Deze twee meesterwerken zijn mogelijk uitgehouwen door Jean (of Jehan) de Marville.
In die tijd waren er vele beeldhouwers gevestigd in Marville om de nieuwe parochiekerk St. Nicolas aan te kleden met vele werken. Mogelijk was ook Jean de Marville één van hen.
Jean de Marville, een beeldhouwer uit de late veertiende eeuw (+/-1350-1389), afkomstig uit de Meuse. Hij was de hofbeeldhouwer van de Duc van Bourgondië, heeft in Brugge gewerkt samen met de Nederlandse beeldhouwers: Claus Sluter (Haarlem) en Klaas van de Werve. O.a. de tombe van Filip de Stoute in het voormalige kartuizerklooster in Dijon.

In de grafkapel zijn naast de tombe van curé Huès nog 3 grafstenen aanwezig, deels met opschrift maar niet meer te lezen. Mogelijk waren de grafstenen te identificeren door de gedenkplaten aan de muur, links en rechts van de boog. Links lijkt de steen te zijn verdwenen, rechts is onleesbaar geworden.
De graven waren bestemd voor de adel en dateren de 15e eeuw.

Grafstenen, grafzerken, stelles

Hier bevinden zich de oude grafstenen vanaf 1345 die Curé Frignet in 1876 in de kerk heeft ondergebracht. Er zijn bijzondere zerken en meesterwerken die de eeuwen hebben doorstaan en die getuigen van de artistieke rijkdom van hun tijd. Ze zijn een weerspiegeling van het rijke verleden van het dorp.

In vele soorten en vele uitvoeringen. Bijna allemaal in demireliëf en uit geel kalksteen gehouwen. Deze gele steen werd plaatselijk in steengroeven gewonnen. De beeldhouwers zijn vooral de grote onbekenden.

Veel voorkomende afbeeldingen:

  • * De kruisiging: symbool van het lijden van Christus, de verlossing van de mensheid en het geloof in de wederopstanding.
  • * Maagd Maria met kind: symbool voor het wederkeren tot stof. Veelal geïnspireerd door de gravures van Albrecht Dürer, met name van de Maagd en sikkel.
  • * De geboeide Christus: symbool van het lijden.

Vele heiligen, apostelen, symbolen als boeken, engelen, bloemen, etc. Alles heeft zijn betekenis. Veelal werd ook de schenker van de grafsteen uitgebeeld in de voorstelling.
Enkele stenen hebben een inscriptie en is de overledene te benoemen. De meeste zijn echter zonder inscriptie.

Onderstaand een klein deel van de grote verzameling stelles.

Huis van de beheerder

  • de woning van de begraafplaats beheerder01
  • Piëta, maagd van barmharigheid02
  • Ossuarium op St. Hilaire03
  • 01 De woning voor de beheerder van het kerkhof wordt al genoemd in de 15e eeuw, maar het huidige gebouw werd waarschijnlijk gebouwd in de 17e eeuw en gerenoveerd in de 19e eeuw.
  • 02 Het huis heeft een ruime tuin met een put uit de 18e eeuw, eveneens een beschermd monument. De tuin werd gebruikt als groentetuin en voor het houden van klein vee.
  • 03 In de zijgevel een hoog reliëf van de Calvarieberg uit de 16e eeuw. Aan de linkerkant is het hoofd van Johannes de Doper gebroken.

Maison du Gardien du Cimetière.

Het kwam in de plaats van een huis dat al in 1425 wordt genoemd als dependance voor de prior en de pastoor van Marville, die een bewaker, veelal een monnik die in afzondering wilde leven, aanwezen voor het kerkhof. Deze was o.a. belast met het bijhouden van het kerkhof, het assisteren in de kerk en het bijhouden van twee registers over het ter aarde bestellen van de overledenen. In 1672 is er sprake van bewoning door 2 heremieten. Vanaf de revolutie (1789) waren het alleen nog de leken die de functie van beheerder mochten uitoefenen. Dit had tot gevolg dat de antirevolutionaire pastoor Dupuy elke dag de mis opdroeg in de kerk van begraafplaats, totdat hij werd verbannen naar Île de Ré aan de westkust. Bij terugkomst werd hij alsnog door de revolutionairen ter dood gebracht tijdens een bezoek aan het kerkhof.

In 1848 woonde er een voormalig soldaat van Napoleon in de woning en in de 19e eeuw werd het beheer uitgeoefend door 2 generatie van de familie Motsch (vader en zoon), opgevolgd door (eveneens vader en zoon) de familie Jacquet.

De renovatie in de 19e eeuw

Grafstenen met eenvoudige ingegraveerde kruisen werden hergebruikt in de renovatie van de woning, zowel binnen als buiten. Vermoedelijk zijn deze stenen uit de 14e en 15e eeuw.

Het huis heeft de typische kenmerken van een woning in de Meuse. Een originele Lorraine schouw, een uit steen gehouwen gootsteen met directe afvoer naar buiten en in de bijkeuken een four à pain (broodoven). Rechts van de ingang nog een overblijfsel van de muur van het gebouw dat als schuur/stal in gebruik is geweest.

In de muur van de aanbouw een vierkante leegte. Eens een kleine grafsteen met een kruis en twee jong gestorven in doeken gewikkelde kinderen. De steen is verdwenen.

In de buitenmuur van de aanbouw is aan de zijde van het kerkhof, een 16e eeuw beeldhouwwerkje in half-reliëf van de Calvarieberg ingemetseld. Jezus aan het kruis met de Maagd Maria, Johannes de Doper en met knielende figuur als de weldoener. Afkomstig van een vroegere grafsteen.

In de zijgevel een hoog reliëf, eveneens van de Calvarieberg uit de 16e eeuw. Aan de linkerkant is het hoofd van Johannes de Doper gebroken. In de kapel staat een vergelijkbare reliëf.

In de achtergevel (tuinkant) een kruis met de datum 1536.

Het huis heeft een ruime tuin met een put uit de 18e eeuw, eveneens een beschermd monument. De tuin werd gebruikt als groentetuin en voor het houden van klein vee.

Bezoek

Kerk St.Hilaire Marville

Een bezoek aan het kerkhof en de kerk. Alvorens u zich naar het kerkhof begeeft moet u eerst de sleutel en het audiosysteem ophalen in het centrum van Marville. Zonder sleutel en audio-informatie is uw bezoek niet volledig.

Marville ligt 200 km ten zuiden van Maastricht en slechts 10 km van de Belgische grens. Aan de regionale weg van Longuyon naar Montmédy. Het stadje ligt ten zuiden van deze weg en het kerkhof ten noorden. Borden geven de richting aan.

In het centrum van de stad vind u naast de kerk het toeristenbureau, oftewel het 'Syndicat d'Initiative Transfrontalier'. Aan de andere kant van de kerk ligt l'Auberge de Marville. Wanneer het syndicat gesloten is kan men ten alle tijden terecht bij de Auberge of de Mairie. Tegen inlevering van een identiteitsbewijs krijgt u de sleutels van de kerk!

Er is een audio-systeem in het Nederlands beschikbaar met de hier gegeven informatie. Men kan vervolgens te voet naar het kerkhof over de 'La Grimpett', langs de Calvarieberg 'le Bon Dieu de Mouza' of met de auto richting het 'plan d'eau'.

Verblijf

Moulin le Cygne - Stenay

Voor uw bezoek aan Marville kunt u verblijven in Résidence Moulin le Cygne, een klein maar kwalitatief appartementcomplex. 20 km van Marville, de juiste uitvalsbasis voor uw bezoek.
Vier gezellige appartementen in een historische omgeving: de oude watermolen van Stenay.
Informatie over het kerkhof en de kerk zijn daar beschikbaar.

Voor een verblijf in een eenvoudig, maar gastvrij Frans hotel verwijzen we u naar Auberge de Marville.

Foto's

De foto's zijn van Betula Alba. Behoudens: de tekening op de pagina kerk exterieur deze komt uit: Marville, Son Histoire - Ses Monuments, Guide Illustré van Mgr. Ch. Aimond, en de zwart/wit foto van de beheerder is met dank aan de familie Motsch overgenomen van internet.

Contact

Contact over deze site kunt u opnemen via de site van Betula Alba met het .

Dank

Dank aan Cécile Zienkiewicz, voorzitter van het toeristenbureau en eigenaresse van de Auberge, die zich volledig inzet voor het behoud van de kerk en het kerkhof. Altijd opzoek naar giften en subsidies. Uw gift wordt ten zeerste op prijs gesteld. Neem daarvoor contact op met Cécile Zienkiewicz, Place de l'Eglise, 55600 Marville. E-mail: of per telefoon: 0(0)33 29 88 10 10.

Referenties

  • 1. St. Hilaire kerk en kerhof in Marville. Een eenvoudige amateur publicatie. Te verkrijgen bij Moulin le Cygne.
    E-mail Moulin le Cygne: .
  • 2. Marville, Son Histoire - Ses Monuments, Guide Illustré, Mgr. Ch. Aimond. Heruitgave 1981 door de Mairie de Marville, verkrijgbaar bij het toeristenbureau.
  • 3. Cimetière Saint Hilaire de Marville en Lorraine, Cécile Pochon Reyssier. Een uitgaven van de Societé Art et Histoire, 2006.
  • 4. Marville Meuse, Images du Patrimoine. Heruitgave 2000. Éditions Serpenoise. ISBN 2.87692-477-3.